Mijn vader was Petrus van der Pluijm, geboren op 3 januari 1905, de tweede zoon van Joannes (Jan of Jantje) van der Pluijm, geboren te Hank op 21 maart 1875, een beroeps-zoet-water-visser in de Biesbosch, die aan de "Ka ", de vissershang, waar hij een eigen heel primitief insteekhaventje had, met een houten roeiboot met beun of bun (opslagplaats voor levende vis in het midden van de boot) en een huifje over het voorschip, waar mijn opa sliep en een boterham ( hij nam voor de hele week brood mee !) met een op een petroleumstel gebakken visje at. Hij dronk uit open water ! Hij, opa, vertrok op maandagmorgen vroeg met zijn scheepje ( een zgn. zalmschouw) naar diverse goede visplekken in de Biesbosch, een toen nog biologisch zuiver gebied in open verbinding met de zee en dus met eb en vloed; Hij zette onderweg zijn palingfuiken uit en viste met hengel en netten op alles wat het water aan vis kon opleveren, waaronder - toen nog- zalm en finten. In de loop van vrijdag kwam hij roeiend vanaf zijn vertrouwde visgronden naar huis gevaren en leverde zijn verse in de beun in leven gehouden vis op afgesproken plekken af of verkocht deze uit eigen voorraad contant aan eigen huis.
Een foto van het type scheepje, waarop Opa de hele week leefde ziet U hiernaast.
Zijn vrouw, mijn oma. toen nog opoe, geboren te Hank op 3 maart 1879 als Maria Leeggangers, in het dorp bekend als " Mie van Jantjes " , bewoonde met tenslotte 6 kinderen een ook naar huidige maatstaven groot huis met rieten dak aan de "Ka", ook wel de Vissershang, het haventje - in feite een vaargeul - dat een afslag van "de Bleek "was met op het einde een sluisje : een markant punt "Het Sluske".
De haven werd gebruikt voor het laden en lossen van riet en griend en suiker- en voederbieten. Aan die vaargeul met eb en vloed, woonden ook enkele zoetwatervissers, waaronder Opa. Zij hingen hun netten en fuiken aan de waterkant op een grasveld voor het huis , waar deze - meestal door het thuisfront t.w. de vrouwen en de visserskinderen - werden gerepareerd en geprepareerd (het boeten van de netten!) om een lang gebruik zoveel mogelijk te waarborgen.
Die netten en fuiken werden (ik praat hier over een tijd vóór 1917 !) thuis door - heel vaak -de kinderen gebreid. Toen mijn vader op zijn 70e in 1975 ophield met werken in dienstbetrekking en - met een zekere weerzin - ging zitten, breide hij, terwijl hij dat op zijn 12e jaar voor het laatst had gedaan, fuiken voor de palingvangst op bestelling en hij knoopte die netten, afhankelijk van de wens met een, twee of meerdere "kelen" en een of twee (afhankelijk van de treksloot) oeverschermen, die langs de oevers werden uitgezet met de bedoeling om de langs die oevers azende palingen in de fuiken te leiden. Als de paling of welke andere vis ook eenmaal de eerste keel was gepasseerd, wisten ze de weg terug naar de vrijheid niet te vinden en konden de vissers op de terugweg die netten weer ophalen, de fuiken in de beun ledigen en opnieuw uitzetten voor de volgende passage. Vader had als kind op de lagere school in zijn vrije tijd zoveel netten en fuiken gebreid, dat hij op zijn 70e nog precies wist hoe groot de mazen moesten zijn en uit een stukje hout sneed hij een stokje voor de juiste maatvoering van de mazen.
Bij haar huis had opoe een moestuin en een boomgaard, zodat zij tesamen met de ruilproducten, die opa van de boeren in de polders meebracht, nagenoeg zelfsupporting waren. Dat was ook hoe mensen in die regio in die jaren leefden, zonder contante middelen om te winkelen. Waterleiding was er, zeker op de Ka, nog niet. Het water voor huishoudelijk gebruik t.w. het grondwater werd met de hand met een vacüumpomp opgepompt, maar soms bij bevriezing werd in het ijs een gat gehakt om te wassen.
Ook electriciteit was er niet. De verlichting bestond uit een petroleumlamp met reflector ( en walm ) en op de zgn. platte buis, voornamelijk gestookt op overal aanwezig hout, of op een petroleumstel werd gekookt met puur natuurlijke producten zonder kunstmiddelen, die toen niet eens bestonden. De geur en de smaak blijven een leven lang !
voorbeeld van een plattebuiskachel (heemhuis Deurne)
De platte buis was het centrale punt: iedereen zocht een plekje rond de kachel met de voeten op het dikbuikige onderdeel van de kachel, waar rondom een roe was aangebracht, waarop alles werd gedroogd. Het schemeren rond de hete kachel met verhalen van de dag was een sociaal gebeuren, waar iedereen zich zo maar kon inpassen.
Peer van der Pluijm
Ook riolering was er nog niet: Het afvalwater liep in een sloot en "de plee " (een groot vat met afdekplaat en ronde zitopening met deksel in een apart gebouwtje buitenshuis met een deur met een hartje als doorkijkgat/
lichtinlaat) werd periodiek met putemmer geleegd en in de tuin gebruikt voor bemesting.
Opa verdronk tijdens een zware storm, vermoedelijk op 15 oktober 1916 (hij werd pas op 27 maart 1917 in het riet gevonden) tesamen met zijn oudste zoon Anton (14 jaar oud) op de Amer onder Lage Zwaluwe. De hond kwam alleen naar huis, hetgeen als onheilsboodschapper alleszeggend was. Opoe (moedig mens) begon, wat anders(!), onder druk van een jong gezin zonder enige sociale voorziening of andere inkomsten (behoudens wellicht, min of meer afhankelijk van de mogelijkheden en het kerkbezoek, een gift van de Vincentiusvereniging) een kruidenierswinkeltje in een klein voorkamertje van haar woonhuis; hield zich daarmee staande en in leven, en hertrouwde na 5 jaar in 1922 met Gerardus Felix van der Pluijm (Ja, weer een Pluijm!) een man, die elf jaar jonger was als opoe. Samen kregen zij nog 2 kinderen, twee verwoestend sterke knoesten, waarvan Ome Nol (Arnoldus) pas op 87-jarige leeftijd in 2010 is overleden.
Opoe's tweede man, Ger of Gert, was visser en in de winter riet- en griendsnijder, een ongelooflijk harde werker, die als ploegbaas zijn ploeg meedogenloos voorging (zij werden verondersteld hem in lijn te kunnen bijhouden op straffe van ontslag) totdat zij er nagenoeg bij neervielen. Hij stierf aan tyfus in 1938. Drinken uit open water was toen nog gebruikelijk.
Als je het vorenstaande met aandacht hebt gelezen, dan zal daaruit misschien zijn opgevallen dat mijn vader Petrus ("Peer van Mie van Jantjes", met welke naamsaanduiding hij als een van de vele Pluijmen op het dorp onderscheidend door het leven ging) toen zijn vader en oudste broer verdronken, 12 jaar was.
Hij, vanaf dat moment als oudste, moest onmiddelijk aan het werk en vond een werkplekje bij brood- en banketbakker Wiercx in de Koestraat in Geertruidenberg. Zijn eerste werk 's morgens, eigenlijk nog 's nachts, was, dat hij met een transportfiets een of meerdere staven ijs (koelkasten waren toen nog niet uitgevonden cq. voor een locale slager niet betaalbaar) in Gorinchem (Gorcum) moest halen via Nieuwendijk en de pont bij Gorcum v.v. voor een slager in Hank en vervolgens met de fiets via de pont van Keizersveer naar Geertruidenberg, alles bij elkaar 25 km. Voordat hij voor dag en dauw zijn eigenlijke werk in de bakkerij begon. Hij was toen 12(!) jaar. Kinderarbeid was toen, ook in Nederland, nog heel normaal d.w.z. men moest alle zeilen bijzetten om - letterlijk - te overleven.
Door die harde gelijktijdig niettemin warme jeugd leek hij prima opgewassen voor een leven, dat hij met veel inzet en altijd goed gehumeurd, uitstekend heeft doorstaan, alhoewel ook wel met de nodige moeilijkheden op zijn pad die hij evenwel - voor de voet - altijd weer blijmoedig oploste.
Deze spartaanse opvoeding heeft hem gevormd met een aantal karakter-eigenschappen, die kenmerkend voor hem waren: nagenoeg onverstoorbaar goed gehumeurd; een indrukwekkend doorzettingsvermogen; arbeidzaam tot in het extreme en een grote mate van saamhorigheid en loyaliteit in groepsverband.
Het is dus met enige mate van trots, dat ik hier ruimte maak voor "mijn"/"ons" vader, die zich vanuit de zelfredzaamheid heeft ontwikkeld tot een zachtaardige alom geliefde man met een gezonde mate van zelfbewustheid.
Tot zover een fragment uit de (ongepubliceerde) familiekroniek door Jac van der Pluijm.