Het is 1949. Net uit militaire dienst ging ik in het voorjaar naar de Annapolder in de Biesbosch met mijn polderkist en bultzak, om heel de week mee door te komen. De kist was mijn voorraadkast voor het eten, mijn stoel en tevens mijn tafel. In de kist bewaarde ik mijn brood. Dat werd in Drimmelen gekocht voor heel de week, maandag tot en met vrijdag. Vrijdags was het hard en droog. In de zomer, als het warm was, stonden er vaak de haren op. De bultzak werd met stro gevuld en diende dan als matras om op de krib te slapen.
We woonden in een keet van houten planken met een rieten dak. Onze verwarming en keuken was een open schouw. Tegenwoordig noemen ze dat een "open haard". De schouw werd gestookt met grote knoesten hout, met het "knuisten vuur". Daar kookten wij dan in de winter ons potje op. In de zomer maakten wij een kampvuur voor het koken buiten. 's Winters was het knuistenvuur ook onze kachel. Je zat dicht op het vuur en terwijl je neus aan de voorkant verbrandde, liepen achterop de rillingen van de kou je over de rug. Gelukkig werd na een paar jaar het knuistenvuur vervangen door een knuistenkachel. Dat was een hele verbetering. Aan melk en eieren was geen gebrek op de polder. Als ontbijt tikte ik 's morgens wat eieren stuk tegen de keet en dronk ze leeg. Vlooien, ratten en muggen waren onze "huisdieren". De muggen verdreven we door het stoken van nat hooi. Het was hard werken toen, alles gebeurde nog met de hand. Kunstmest werd met de hand gestrooid uit zakken van 100 kilo. Tegenwoordig mag zo iets niet zwaarder meer zijn dan 25 kilo! We zaten met 8 jonge kerels in de keet. Meestal ging alles prima, alles deden we samen want het was heel saai in de keet. We hadden geen radio, laat staan TV. Als het donker werd, was er een petroleumlamp.
Heel de week deed je van één stel kleren. Je had één hemd. Als je dan een hele week hard had gewerkt, zwetend in de zon, dan kun je wel bedenken hoe dat eruit zag. Zo gauw als het weer het toe liet werd dat hemd dan ook uitgedaan. Al snel had je een bruin verbrand lijf. Tegenwoordig is dat mode, vroeger kon het niet anders. Het eerste jaar roeiden we met een sloep naar de polder. In de zomer, bij mooi weer, was dat gezellig, we zongen veel. Het klonk prachtig op het water. Als het slecht weer was, was het heel zwaar. Als we niet door de Sloot van St. Jan konden vanwege het tij (toen was er nog eb en vloed) dan moesten we over de Amer. Daar kon het flink spoken tijdens storm. Ik kon trouwens niet zwemmen, maar daar dacht je toen niet aan. Met zelf roeien zijn we op een gegeven moment gestopt. Het was veel te zwaar. Vanaf toen werden we elke keer gebracht en gehaald door Dirk Diepstraten uit Drimmelen met zijn motorvlet, ook als het mistig was op de Amer en door de ijsschotsen in de winter. In een strenge winter zijn we zelfs een paar maal te voet over het ijs naar de polder gelopen. Vanwege eb en vloed was dat "bol ijs" erg gevaarlijk. Met hoog water was het heel erg moeilijk om op het ijs te komen, de Griend van de Dood was een waar doolhof.
Later werd ik "boerenknecht". Dat betekende dat je ook nog eens om de 4 weken polderwacht had. Je was dan ook zaterdag en zondag op de polder en had dan voor het vee te zorgen. In 1953 kwam de watersnood. Ook ons dorp, de Hang, kwam onder water te staan. Mijn familie werd geëvacueerd maar ik ben toch weer terug naar de polder gegaan om te helpen. Slapen deed je 's nachts in een overgebleven keet die niet was weggespoeld. Daar moest je dan wel in een roeiboot naar toe. Eind 1954 is de polder verkocht en ben ik de bouw in gegaan. Ik ben toen bulldozer- en kraanmachinist geworden. In 1967 werd ik letterlijk uitgeschakeld door enkele hernia operaties.
Anton van der Pluijm
(eerder verschenen in een uitgave van de Stichting Archief*Kring Hank: Hank van 1900 tot 2000).