In de zomer van 1972 slijt Frans van der Pluijm uit Hank zijn dagen als een van de laatste en oudsteĀ beroepsvissers in de Biesbosch. Thuis, aan de Visserskade, heeft hij alleen de zorg voor zijn vrouw Caterien, die soms meegaat, een voor zijn hond en voor een konijn.
Leven doet Frans van der Pluijm vooral onder de huik van zijn zalmschouw die meestal verscholen in een kreek ligt, vaak in het Gat van de Kerksloot tegen de Annapolder. Dat is zijn vaste stek. Met zijn roeiboot gaat hij langs de fuiken. In de kreken bewaakt hij zijn aalfuiken en luistert naar het paaien van de vis. In een roestige broodtrommel zit zijn leeftocht: een homp krentenbrood, een stuk worst en wat kaas. In een braadpan op het kacheltje: het peurke met de vetresten van wat een ter plekke bereid aalgerecht is geweest. Dat kacheltje zorgt bij een gesloten huik in de winter ook voor warmte. Eens in de paar dagen roeit Frans naar de haven voor een kort huisbezoek, om proviand in te slaan en om zijn vangst aan de man te brengen.
Frans is eigenlijk van een andere tijd, de tijd dat er nog eb en vloed was en mannen van zijn generatie bij tientallen door de Biesbosch zwierven. Ze zijn weg, verdwenen in de geschiedenis. Nu zit Frans fuiken te repareren die de nieuwe Biesboschgebruikers, de toeristen, vernielen. Henk Postma, verslaggever, hoort hem in juni 1972 mopperen op die 'rotlui' van het recreatieschap die volgens hem kreken blokkeren waar hij vroeger gewoon kon vissen.Ook Frans krijgt, vermoedt hij, te maken met de zoneringsverordening die door directeur Folmer van het Recreatieschap De Brabantse Biesbosch ontworpen is. Een verordening die ervoor gezorgd heeft dat er kreken zijn afgesloten, stille kreken voor de natuur. Een kreek afsluiten?
Het is alsof je Frans een stuk van zijn wereld afpakt. Frans moppert ten onrechte, want de snelheidsbeperking geldt niet voor beroepsgebruikers van de Biesbosch. Een boer mag er altijd nog zo hard varen als hij wil. In de hoek waar Frans vist, zijn geen afgesloten kreken. Alleen motorvrije. Een Frans gaat roeiend langs zijn fuiken en heeft bovendien het visrecht. Zijn gemopper illustreert onbedoeld de fabels die kwaadwillende tegenstanders van de zoneringsregel in omloop brengen. Verhalen die maar al te gretig worden opgepakt door de goedgelovige Frans en door gemeenteraadsleden die de recreatielobby in de Biesboschdorpen steunen.
Frans zit tegen Postma ook te schelden op de recreanten die na het afsluiten van het Haringvliet de Biesbosch zijn binnengedrongen, vooral tegen de weekend-armada hoort Postma hem fulmineren:"Die lui varen hier maar wat rond met hun schuiten. Ik zeg ze honderd keer dat ze het midden van het vaarwater moeten houden en niet langs de kant door mijn fuiken moet gaan. Maar ja, ze weten niet beter. Het zijn van die lui die d'r eigen zomaar uitkleden en dan lopen ze maar rond te darren in de grienden".
Frans van der Pluijm heeft zich altijd roeiend in de Biesbosch verplaatst. Oudere inwoners van Hank hebben nog altijd voor ogen hoe hij met druipende riemen het nu afgesloten haventje binnen kwam varen. Verslaggever Henk Postma hoort hem bij het wegvaren uit de Kerksloot een visserslied zingen van het muziekgezelschap 'De Wilpies' uit Hank: 'Daar ruist in de Biesbosch een wonderschoon lied, maar velen die het horen begrijpen het niet'.